Eens, lang
geleden, had Hippo het nijlpaard nog haar. Het was een prachtige, donkerbruine
vacht, met heel dik, zijdezacht haar. En trots dat hij erop was! Hij paradeerde
door het bos en langs de oever van de rivier, zwaaide opschepperig met zijn
prachtige, zijdeachtige staart en vond dat de andere dieren hem moesten
bewonderen.
“Ben ik niet
elegant? Hebben jullie ooit zo’n prachtige zijdezachte vacht gezien?” wilde hij
weten. De meeste andere dieren moesten niets van de opschepperij hebben. Alleen
de apen in de bomen sloofden zich uit om hel gelijk te geven.
“Wat ben je toch
mooi, Hippo! Jij hebt de meeste haren van allemaal! Jouw donkerbruine vacht is
net zijde, daar kan iedereen aan zien hoe ontzettend belangrijk jij bent!” en
ze drapeerden slingers van groene klimplanten over Hippo heen, en zwaaiden door
de bomen achter hem aan. Ze gaven hem zo vaak complimentjes, dat hij bijna
barste van trots.
Al snel werd
Hippo zo ijdel, dat hij bijna de hele dag bij de vijver bleef. Daar kon hij
zijn spiegelbeeld in het water bewonderen. “Kijk dan toch! Kom allemaal eens
naar me kijken! Die apen hebben gelijk! Bekijk mijn zachte oren, mijn
schitterende staart en mijn volmaakte figuur maar eens goed. En dan heb ik ook
nog de dikste vacht van alle dieren, dus ik moet wel de belangrijkste zijn in
het bos.”
En hij werd zo
ijdel dat hij de baas begon te spelen over de andere dieren. De vissen en de
watervogels mochten geen rimpeltjes meer maken in het spiegelgladde oppervlak
van de vijver als hij zichzelf er vol bewondering in bekeek. De vogels moesten
zijn vacht schoon maken. Haas moest doorns uit zijn voeten halen. Omdat hij de
dikste vacht had en dus het belangrijkste dier in het bos was, stond Hippo erop
dat hij de sappigste planten kreeg. En als het geregend had, was hij ook de
eerste die vers water uit de rivier mocht drinken.
Als een van de
dieren ongehoorzaam was, werd hij vreselijke driftig en dreigde hij met de
meest afschuwelijke straffen. Na een poosje hadden de andere dieren er schoon
genoeg van. Ze hielden een bijeenkomst in het bos, ver weg van Hippo. “Het is
onuitstaanbaar!” vonden ze allemaal. “We zijn geen baas meer over onszelf! –
weg met Hippo! Weg met Hippo!” riepen ze in koor. “Nee, wacht eens even.” Zei
haas. Hij ging in de kring staan. “Ik denk dat Hippo e zelf niets aan kan doen.
Het komt vast door die prachtige dikke vacht van hem dat hij zich zo onmogelijk
gedraagt.”- “Nou… ja… dat zou best kunnen… misschien heb je gelijk…” mompelde
de andere dieren. “In dat geval,” zei haas, “Heb ik een plan. Jullie doen
precies wat ik zeg en dan zullen we wel eens zien wat er gebeurt.”
De dieren deden inderdaad
precies was Haas had gezegd. Eerst zochten ze zoveel mogelijk droog gras bij
elkaar. Dat legden ze op een hoop onder de grote moelaboom, naast de
slaapplaats van Hippo. Olifant stak zijn slurf in de lucht en snoof. Toen hij
aankondigde dat het zou gaan onweren, spreidden de dieren al het gras in een
dikke laag om Hippo’s slaapplaats heen. En toen Hippo wilde weten waar ze mee
bezig waren, zeiden ze precies wat Haas hun voorgezegd had.
“O, prachtig
schepsel met uw schitterende haren, edelste en belangrijkste Hippo, we maken uw
slaapplaats lekker warm, want het wordt winter en we kunnen niet toestaan dat
de koude wind uw dikke vacht met die prachtige haren in de war maakt!”
Het onweer kwam
dichterbij, de lucht werd zwart en de donder rommelde in de verte. Hippo kroop
lekker diep weg in zijn warme nest en de andere dieren renden weg. Ze
verstopten zich aan de andere kant van het bos, precies zoals Haas had gezegd.
Terwijl zij zich uit de voeten maakten, verstopte Haas zich achter een graspol
bij de rivier. Hij wenste uit alle macht dat zijn plan zou lukken en wilde zien
wat er ging gebeuren.
Één. Daar was de
eerste bliksemflits. Hij siste door de lucht. Twee. Dat was de tweede flits.
Hij verlichte de donkere nacht. “Kom op, kom op nou” smeekte Haas. “Driemaal is
scheepsrecht! Kom op!” en drie. Dat was de
drie-maal-is-schaapsrecht-bliksemflits. Hij sloeg in de grote moelaboom en
stuurde een vurige slang langs de takken omlaag, naar de cirkel van droog gras
waar Hippo middenin lag. Binnen een paar tellen was het een muur van wilde,
knetterende vlammen. En Hippo lag nu helemaal niet meer zo lekker te slapen.
Hij rende in paniek heen en weer totdat zijn lange haar ook in brand vloog en
hij geen keus meer had. Hij rende zijn slaapplaats uit en – PAAHLLONSSSSS! –
sprong in de rivier. Haas stond op de oever en staarde naar de kringen in het
donkere water. Eerst dacht hij dat ze te ver waren gegaan en dat Hippo – en
niet alleen zijn harige vacht – voor altijd was verdwenen. Maar hij had zich
geen zorgen hoeven maken. Want toen de regen in dikke druppels begon te vallen,
zag Haas iets boven water komen. Het was een paar oren, die vroeger zijdeachtig
waren geweest. Ze werden gevolgd door een paar neusgaten, die vroeger harig
waren geweest. Met een diepe zucht van opluchting ging hij op weg om de andere
dieren te zoeken.
“Het is gelukt!”
riep hij toen hij ze had gevonden. “Het is fantastisch goed gelukt! Hippo
mankeert niets, maar zijn vacht, de oorzaak van zijn trots en zijn
onverdraaglijke gedrag is weg. Voortaan zijn we weer baas over ons eigen
leven.” En Haas had gelijk. Toen het ochtend was geworden, trok Hippo zijn
poten uit de modder van de rivier en liep naar de vijver om eens naar zichzelf
te kijken. Hij ontdekte dat hij nu een groot kaal dier was, met alleen wat
haartjes in zijn oren. Hij had geen prachtige staart meer, hij had nu een dik,
grijs lijf, zonder donkerbruine vacht.
Toen hij dat zag,
rende gij naar de rivier. Met een luid MWOEOEOEOEOE, MWOE blies hij alle adem
uit zijn longen en liet zich vol schaamte in het water zakken. En daar hij
altijd blijven wonen. Hij komt alleen boven water als hij lucht moet hebben en
hij graast alleen ’s nachts langs de rand van het bos. En dan liggen alle
dieren die hem nog gekend hebben in zijn donkerbruine zijden dagen, lekker te
slapen.